Begrippen

Hieronder treft u een lijst met veel voorkomende termen en woorden, zoals dat in het it-jargon noal eens gebruikt wordt. Mocht u onverhoopt een term op deze website gelezen hebben die bij u niet bekend is, stuur dan een email met de vraag naar de betekenis van het betreffende woord.

Account
abonnement bij een internet provider.
AJAX
een combinatie van verschillende technieken om vormenvan interactiviteit aan webpagina's toe te voegen.
Bandbreedte
capaciteit van een netwerk of internetverbinding.
Browser
een programma dat het mogelijk maakt internet pagina's te bekijken.
Cascading Style Sheets
een techniek om pagina opmaak en inhoud in webpagina's te scheiden (bruikbaar vanaf versie 4 browsers).
Chatbox
een internetprogramma om getypte teksten met elkaar uit te wisselen (chatten).
Clientside
aan de kant van de gebruiker. Bijvoorbeeld een cleintside scripttaal, die bepaalde functionaliteit verzorgt binnen een website.
Compressie
technieken om bestanden kleiner te maken, waardoor zij sneller te downloaden zijn.
Content Management Systeem of CMS
programmatuur en methoden om websites te onderhouden voor niet technici, zoals Joomla, Typo3, Contribute, enz. Lynx studio kan u een eigen, zeer eenvoudig CMS voor het onderhoud van uw site aanbieden.
Database
bijvoorbeeld MySQL. Verzameling digitaal opgeslagen gegevens, die op verschillende manieren benaderd kunnen worden.
Director
een programma dat voornamelijk gebruikt wordt om cd-roms met programma's en dergelijke te vervaardigen.
Downloaden
het versturen van data van een server naar een locale computer, bijvoorbeeld om webpagina's te bekijken of software te verkrijgen.
Flash
een programma dat gebruikt wordt om interactieve animaties, maar ook complete websites te bouwen, welke met een plugin binnen een browser bekeken kunnen worden.
FLV
speciaal voor Flash gecomprimeerde digital video.
FTP
File Transfer Protocol, dat gebruikt wordt om bestanden te kunnen up- en downloaden.
GIF-bestand
een gecomprimeerde afbeelding van maximaal 256 kleuren, zoals veel op websites gebruikt worden.
Homepage
eerste pagina van een website.
Hosting
het aanbieden van computercapaciteit aan derden, bijvoorbeeld om een website te publiceren.
HTML
HyperText Markup Language waarmee webpagina's gecodeerd worden.
Http
HyperText Tranfer Protocol, dat voornamelijk wordt toegepast om webpagina's aan te bieden via het internet.
Interaction design
het ontwerpen van interface en structuren om machines en programma's te kunnen bedienen. Over het algemeen worden hiermee computer programma's bedoeld.
Interface
veelal visuele mogelijkheid om een informatieverwerkend systeem te bedienen.
JavaScript
een scripttaal, dat veelal wordt toegepast binnen webpagina's om bijvoorbeeld rollovers te maken of formulieren te controleren.
JPEG- of JPG-bestand
een gecomprimeerde afbeelding, zoals foto's, zoals veel op websites gebruikt worden.
Hyperlink
ook wel link genoemd. Markering in tekst of afbeeldingen , die naar een ander deel of een andere pagina verwijzen.
Mailinglist
een lijst met ingestuurde email over bepaalde onderwerpen, waarop iedereen kan reageren.
Mockup
een visuele schets voor een programma of website.
MySQL
een open source database, die veel in combinatie met websites wordt toegepast.
Offline
niet verbonden met een server of het internet.
Online
verbonden met een server of het internet.
Open Source
software, waarvan de broncode en de programma's voor iederenn gratis te gebruiken zijn.
PHP
een veel gebruikte serverside sacripttaal. Het wordt vaak toegepast in combinatie met de MySQL database.
Plugin
een hulpprogramma dat de functionaliteit uitbreid van bijvoorbeeld een gebronsder. De meest bekende plugin is de Flash-plugin, waarmee (interactieve) animaties geheel binnen de webpagina geïntegreerd kunnen worden.
PNG-bestand
Een modern grafisch internet bestand, dat echter iets groter is dan GIF- en JPEG-bestanden.
Protocol
in dit kader een afspraak over de manier waarop bepaalde communicatie tussen computers en programma's plaats vindt.
Prototype
een voorbeeld van een uiteindelijk product, waarin een deel van de functionaliteit reeds gerealiseerd is.
Provider
een bedrijf dat internet diensten aanbiedt.
Rollover
een knop (button) die verandert op het moment dat de muiswijzer zich daarboven bevindt.
Scripttaal
een programmeertaal, verbonden aan een bepaald programma, om de functionaliteit daarvan uit te breiden.
Server
computer of programma, dat bepaalde diensten vervult, zoals de computer van een provider waarmee websites gepubliceerd worden.
Serverside
aan de kant van de server. Bijvoorbeeld een scripttaal om interactieve processen mee af te handelen, zoals PHP.
Shockwave
een compressie techniek van Macromedia dat voornamelijk gebruikt wordt op het internet om multimediabestanden te kunnen bekijken. 'Shockwave for Director' is de techniek en bijbehorende plugin om complexe multimedia programma's in een browser af te kunnen spelen. Ook Flash compressie wordt wel 'Shockwave for Flash' genoemd (SWF-bestanden).
Uploaden
het versturen van data van een lokale computer naar een server, zoals bijvoorbeeld bestanden waaruit webpagina's zijn opgebouwd.
URL
internet adres van websites e.d.
Usability
gebruiksvriendelijkheid van programma's en websites.
Webdesign
het ontwerpen en construeren van websites.
Webmaster
beheerder(/ster) van een website, soms technisch, soms inhoudelijk of beiden.